Scholen moeten wakker liggen van VSV

Debat
11-10-2012    Redactie    Nieuwsberichten

Raadszaal, gemeenteraad Helmond

Nu is er ook meer dan genoeg aanleiding om de VSV-perikelen in Zuidoost Brabant kritisch op de voet te volgen, betoogden enkele commissieleden. ‘Dit thema stond in 2008 al op de agenda. Het stelt teleur dat we vier jaar later nog nauwelijks verder zijn gekomen met het terugdringen van vroegtijdige schooluitval. Andere regio’s doen het veel beter. Waarom gaat het hier slechter?’, aldus de hartenkreet van M. Janssen (D’66). De cijfers geven het raadslid gelijk. In 2008 telden de gezamenlijke scholen in de regio 2012 drop outs, vorig jaar 1993. Waarvan driekwart op het MBO zit. Een geringe terugloop, gegeven de forse inzet van geld en maatregelen. ‘Een paar jaar terug lag het regionale gemiddelde nog onder het landelijke, nu scoort Zuidoost Brabant hoger dan het landelijk niveau’, voegde Monaïm Benrida (Accountmanager VSV bij het ministerie van OCW) daar in zijn betoog voor de commissie aan toe. Volgens Benrida heeft Zuidoost Brabant lange tijd nodig gehad om een goede samenwerking op touw te zetten tussen het onderwijs en de gemeenten. ‘VSV werd verdeeld over het onderwijs en de gemeenten, waarbij laatstgenoemde de regie voerde. Nu zetten we vooral in op het onderwijs. Ik verwacht daar veel van.’ Benrida riep de politiek wel op om niet aan de zijlijn te blijven staan bij dit probleem. ‘De school is de vindplaats van VSV, maar de aanpak ervan is een zaak van alle maatschappelijke partners in de regio!’

Opleiding

In kort bestek roerde hij de maatschappelijke impact van VSV aan. ‘Ze zijn vaker werkloos en vijf keer zo dikwijls verdachte van een misdrijf dan jongeren in het bezit van een startkwalificatie.’ Wido Bijlmakers van de gemeente Helmond wees op de vooruitgang die geboekt is in de strijd tegen voortijdige schooluitval. ‘Onze leerplichtambtenaren werken voortaan over de gemeentegrenzen heen en worden een vast gezicht op een school. En er is 3 een centrale leerlingenadministratie voor alle 21 gemeenten in de regio.’ Hij stipte aan dat ook de ondernemers een steentje kunnen bijdragen aan het reduceren van VSV. ‘In tijden van economische voorspoed staan zij bij de scholen op de stoep om jongeren al in een vroeg stadium een baan aan te bieden. Terwijl het voor de meeste leerlingen in kwestie beter is als ze eerst gewoon hun opleiding afmaken.’

ROC ter Aa in Helmond en ROC Eindhoven, de twee grote regionale onderwijsinstellingen noteren samen meer dan 70% van alle VSV-ers. Op beide scholen zijn daarom talrijke projecten op touw gezet om VSV aan te pakken. ‘Wat bijvoorbeeld goed werkt is onze coaching op het snijvlak van VMBO en MBO. In het vierde jaar van de VMBO zijn wij gestart met het begeleiden van tachtig studenten bij hun overstap naar een beroepsopleiding. Daar zie je leerlingen relatief vaak uitvallen. Na een half jaar zitten alle tachtig studenten nog in het begeleidingstraject. Als ze eenmaal op het MBO zitten blijven wij ze volgen’, legde Anke Coolen van het ROC ter Aa de commissieleden uit. Volgens Coolen is het tijd voor een andere ‘VSV-moraal’ in het onderwijs. ‘Scholen en docenten moeten wakker liggen van VSV. Nu zijn ze lastige leerlingen vaak liever kwijt dan rijk. Als we als MBO beter samenwerken met het VMBO verloopt de aansluiting beter.’ Wat dan een lastige leerling was, wilde raadslid T. Van Mullekom in dat verband weten. ‘In de praktijk blijkt dat er bij deze studenten vaak psychische problemen of drugs in het spel zijn’, was het antwoord. Annie van Doremalen van het ROC Eindhoven verhaalde over de weg die deze onderwijsinstelling heeft gekozen om schooluitvallers binnenboord te houden. ‘Wij kiezen ervoor om het grote ROC zo klein mogelijk te maken en te werken met schoolteams van 15 docenten die samen 250 studenten onder hun hoede krijgen. Dan ontstaat de menselijke maat waarin docenten en studenten elkaar goed leren kennen. Docenten weten dan beter wat er speelt bij individuele scholieren en kunnen sneller ingrijpen als er uitval dreigt of deskundigheid van buiten inschakelen. Dan kan vanaf nu ook beter omdat we onze cijfers en zorgstructuur goed op poten hebben staan. Er ligt een stevige basis; van iedere leerling is bekend hoe hij er voor staat.’