Voorkomen van voortijdig schoolverlaten zonder extra middelen in tijden van bezuiniging?

Na 2011?
27-04-2010    Redactie    Nieuwsarchief

De doelstelling van het convenant voortijdig schoolverlaten is het terugdringen van het aantal VSV’ers met 40%. Daar wordt nu hard aan gewerkt in de scholen, mede met inzet van programmagelden. Deze middelen stoppen echter aan het eind van de convenant-periode en ook het onderwijs zal naar verwachting het nodige aan bezuinigingen en ombuigingen van (zorg)middelen over zich heen krijgen. De vraag dient zich aan hoe er voor gezorgd kan worden dat na 2011 jongeren met succes hun schoolloopbaan afmaken en niet als VSV’er eindigen.

Ondanks dat er nu hard gewerkt wordt om het aantal VSV’ers terug te dringen, is er nog weinig inzicht in de effecten van de genomen activiteiten op langere termijn. De activiteiten die nu via het programma van maatregelen 2 worden ‘uitgerold’ over alle scholen, zijn vooral gericht op de grootste uitvalproblematiek en op leerlingen bij wie de dreiging van voortijdige uitval groot is. De aandacht van de regiegroep VSV richt zich hierop en dat is nodig om de reductie te halen.

De vraag blijft daarbij of daarmee voldoende structuur en borging ontstaat om ook na 2011, zonder extra middelen en mogelijk met forse bezuinigingen, het aantal VSV’ers laag te houden. Moet er – naast de bestrijding van uitval via o.a. maatwerktrajecten – ook meer aandacht komen om verzuim- en uitval gedrag te voorkomen?

Een voorbeeld: Leerlingen met een LWOO-beschikking vanwege zeer grote leerachter-standen vormen nu een groep, waarin de uitval groot is. Dat lijkt logisch vanwege het simpele feit dat zij met vrijwel niet te overbruggen leerachterstanden aan hun VO-traject beginnen en overvraging op de loer ligt. Maar naast leerachterstanden blijken zij ook vaak weinig vertrouwen in zichzelf te hebben, weinig weerbaar te zijn en is hun motivatie om te presteren afgenomen. Overvraging en overbelasting op sociaal-emotioneel vlak ligt dus ook op de loer.

Nu krijgen LWOO-leerlingen extra aandacht, al dan niet ingedeeld in speciale, kleinere klassen. Ondanks deze extra aandacht vallen zij ‘bij bosjes’ uit, vooral na de overgang van de onder- naar de bovenbouw waar andere eisen aan hen gesteld worden. Maatwerk in de vorm van alternatieve trajecten en trainingen is dan aan de orde om te redden wat er te redden valt. Is dit na 2011 zonder extra middelen en met wegvallende of krimpende LWOO-budgetten nog vol te houden of moet er vooral extra (standaard) worden ingezet bij de start van de brugperiode om hen weerbaarder te maken en overvraging en overbelasting te voorkomen? En als wij daar dan op inzetten . . . . moeten wij dat dan niet direct voor alle brugklas-leerlingen doen?

Job Hessing is projectleider cluster zorg en voorzitter van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) van het Samenwerkingsverband VO/SVO Helmond e.o. en lid van de regiegroep VSV.